Follow by Email

woensdag 8 juli 2015

Old tin pan bij Ezra Pound

Ezra Pound (1913)

Gisteren herlas ik Cino van Ezra Pound (1885-1972) in de door T.S. Eliot (1888-1965) ingeleide bundel Selected Poems (1928). Een bundel die ik overigens mocht kopen voor een Rand en een ei in Clarens (Mpumalanga, SA). 

Terwijl ik de polemische inleiding van Eliot las, schoot me de hele tijd die ene zin uit Dylan's Desolation Row door het hoofd: 'Ezra Pound and T.S. Eliot fighting in the captain's tower!' Een zin die ik na lezing van die inleiding niet meer snap. Waarom 'vechtend?' Eliot wurgt Pound bijna in zijn respectvolle omarming. Hij hanteert de dichter en vertaler Pound als de geslepen bijl waarmee hij de afwijkende meningen van andere commentatoren tot aanmaakhoutsnippers verhakt. 

Thomas Stearns Eliot (1934); foto: Ottoline Morrell

Cino verscheen voor het eerst in Pound's bundel Personae (1908). Eliot's keuze voor de Selected Poems is bepaald door die gedichten waarvan hij vindt dat ze de weg banen naar Pound's grote werk, de Cantos. Cino is één van zijn hertalingen van dertiende eeuwse Italiaanse dichters. Ik kwam aan de strofe:

Pollo Phoibee, old tin pan, you
Glory to Zeus' aegis day,
Shield o' steel blue, th'heaven o'er us
hath for boss thy lustre gay.   

Dat 'old tin pan' had ineens mijn aandacht. Ik ken Old tin pan alleen uit de muziekwereld. Tin Pan Alley was een buurtje in Manhattan waar zich tijdens de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste eeuw muziekproducenten vestigden. 


Ik wist van de actie van Pete Townsend om de Londonse Tin Pan Alley, de 12 Bar Club op 26, Denmark Street, voor de sloop te bewaren. Wat doet een vroeg éénentwintigste eeuwse mens in zo'n geval? Juist, hij gaat surfen. Ik beland op narkive.com (news archive) en vind daar een negen pagina's tellende discussie juist over deze strofe. Een zekere Marius Hancu vroeg zich acht jaar geleden af wat dat old tin pan nu betekende en wat het hier moet. 
De algemene mening van degenen die reageerden is dat old tin pan het geluid van een krakkemikkige piano is. Want in dat buurtje van Manhattan waar zich rond 1890 al die muziekproducenten vestigden kon je uit bijna elk huis pianoklanken horen, wat nogal een kakofonisch effect had. Maar waarom scheepte Pound dan Apollo op met dat epitheton old tin pan? Voor wie de discussie in alle rust wil lezen is hier de link:

http://alt.usage.english.narkive.com/xnaYH4ow/old-tin-pan.

Zelf hou ik het voor nu op de reactie van een zekere John Dean uit Oxford:

'"Pollo Phoibee" may be a pun on 'polyphloisbic' meaning 'loud roaring' which
may be an epithet used of Apollo and tin pans make a loud noise if rattled.
Like George Bush.

Reading all your quotes over the last few days I'm coming to the conclusion
that Pound was taking the piss. When he wasn't fighting in the Captain's
tower with Eliot.'


Ezra Pound! Het lezen van zijn gedichten vergt wat doorzettingsvermogen. Je moet een beetje achtergrondkennis hebben, dan wel verwerven. Het helpt bijvoorbeeld om enige weet te hebben van de betekenis van 'aegis.' Maar is dat niet vaak zo bij grote kunst? En dat is geen helaas. Integendeel. Twee (of drie) keer aandachtig lezen, luisteren of kijken, levert (drie-)dubbel plezier op. En daarna elke keer weer opnieuw.   

maandag 6 juli 2015

Festival der Aa 2015: Midzomernachtsdroom - buikpijn van het lachen

vlnr: Tessa Friedrich (??), Yorrick Zwart (Philostratus, ceremoniemeester van Theseus), Maxime Vandommele (Hippolyta), Koen Wouterse (Theseus)

Dat Shakespearestukken een enorme vaart kunnen ontwikkelen en dat ook zijn tragedies tot dolle pret kunnen leiden, dat mocht ik in 1968 beleven als veertienjarige Rolducien bij Romeo & Juliet van Zefirelli. Maar wanneer je bij Shakespeare's tragedies al zoveel te lachen krijgt, hoe zit dat dan met zijn komedies? Bij De Midzomernachtsdroom in de vertaling en regie van Koos Terpstra moet je de zakdoek lenen van je buurvrouw op de tribune. Met name Fabian Jansen schittert in het tussenstuk Pyramus en Thisbe als Nicolaas Achterwerk en later als geliefde met ezelskop van Titania, de elfenkoningin. 
Maxime Vandommele (Titania), Fabian Jansen (Nicolaas Achterwerk), Yorrick Zwart (Robin Goeiegast)
foto: Reyer Boxem

De kolder viert bij tijd en wijle hoogtij in dit stuk, qua taal en actie. Het wordt zo gek niet of je gelooft het. De vormgeving is minimaal, maar uiterst effectief. In twee uur tijd raas je door een stuk dat zijn weerga nauwelijks kent in zijn volstrekt absurde verhaallijn. Daarbij verstaat Terpstra de kunst om elk woord van Shakespeare's taalpracht in diezelfde razende Roelandvaart als een fonkelend sterretje aan het midzomernachtfirmament te prikken. Ja, je moet een beetje bij de les blijven, blijven luisteren, maar dan heb je ook nog wat om straks mee naar huis te nemen. De muzikale intermezzo's zijn een effectief anachronisme met als klapstuk de slotdans in Bollywoodstijl (hoewel een 78-toeren Volendam ook niet ver weg lijkt). 
Bollywood in Shakespeare (foto: Reyer Boxem)

Een mens krijgt soms de tijd niet om bij te komen. Wat een verrukkelijke zomeravond daar in de weide op De Esch bij Schipborg. 
Van alle tijden, van alle streken (1998) 
vlnr: Diane Verdoodt (Clenebejach), Anton Saris (Koning Nobel); Esther Been (Koningin Nobeline; vergelijk het pakje met hierboven Tessa Friedrich); Pedro Ormazabal (Carcofas).

Klein detail: het oranje mantelpakje van Pieter Paal. Ik kijk in de medewerkerslijst aan deze PeerGrouPproductie: inderdaad: de kostuums zijn van Aafje Horst. Dat mantelpakje is in 1998 nog gedragen door koningin Nobeline uit mijn Van alle tijden - van alle streken (de Reinaert-opera van de stichting Aa).